Hoe moet u volgens de minister de zgn. minimumbezoldiging berekenen indien er voordelen alle aard toegekend worden?

Een van de compenserende maatregelen ter financiering van de hervorming van de vennootschapsbelasting was de verhoging van de zgn. minimumbezoldiging en de invoering van een afzonderlijke aanslag op een bezoldigingstekort. Op 24.10.2018 werden hierover aan de minister twee mondelinge parlementaire vragen gesteld. Waarover gingen die vragen dan precies en wat heeft de minister erop geantwoord?

ZOMERAKKOORD

Verlaagd tarief

Om recht te hebben op het verlaagd tarief vennootschapsbelasting moet een kmo-vennootschap aan een aantal voorwaarden voldoen. Een van die voorwaarden is dat de kmo aan ten minste n bedrijfsleider (natuurlijk persoon) een bezoldiging van ten minste 45.000 moet toekennen of ze moet minstens gelijk zijn aan 50% van het belastbaar resultaat voor bezoldiging (art. 215, lid 3, 4 WIB 92) . Voor alle duidelijkheid, het is het belastbaar resultaat na aftrek van overgedragen verliezen, investeringsaftrek en andere aftrekposten.

 

Afzonderlijke aanslag bezoldigingstekort

Elke vennootschap waarvan het hoogste bedrijfsleidersloon lager is dan de minimumbezoldiging voor het verlaagd tarief, moet op het zgn. bezoldigingstekort een afzonderlijke aanslag betalen. Dat tekort is het verschil tussen de minimumbezoldiging en de hoogst toegekende bezoldiging (art. 219quinquies, 2 WIB 92) . Het tarief van deze aanslag bedraagt 5,1% (= 5% + 2% aanvullende crisisbijdrage) voor aj. 2019 en 2020. Vanaf aj. 2021 valt de aanvullende crisisbijdrage weg, waardoor het tarief 5% wordt.

 

PARLEMENTAIRE VRAGEN

50%-voorwaarde meerdere bedrijfsleiders

De vraag. Wat is de belastbare winst vr aftrek van de bezoldiging indien er meerdere bedrijfsleiders een loon krijgen, nl. vr aftrek van alle bedrijfsleiderslonen of enkel van het hoogste loon: Veronderstel dat het resultaat van het belastbaar tijdperk vr aftrek van enige bedrijfsleidersbezoldiging 60.000 bedraagt en dat aan een eerste bedrijfsleider-natuurlijke persoon 20.000 en aan een tweede 10.000 wordt uitgekeerd, dan bedraagt het uiteindelijk belastbaar resultaat 30.000. Is de minimaal vereiste bedrijfsleidersbezoldiging om de afzonderlijke aanslag en dus de penalisatie te vermijden dan 60.000 50%, dus 30.000, dan wel 50.000 50%, zijnde 25.000? (parl. vr. nr. 27263, Van Biesen, 24.10.2018) .

 

Het antwoord van de minister luidt als volgt: Voor de berekening van de afzonderlijke aanslag in artikel 219 worden in het voorbeeld dat u aanhaalt de hoogste bedrijfsleidersbezoldiging en het belastbaar inkomen vr aftrek van die bezoldiging genomen. In uw voorbeeld bedraagt de minimum bedrijfsleidersbezoldiging dus 25.000, nl. 50% van 50.000.

 

Hoe concreet toepassen? Indien geen enkele bedrijfsleider (natuurlijk persoon) 45.000 (incl. VAA) aan bezoldigingen heeft in het belastbaar tijdperk, dan moet u nagaan of de vennootschap voldoet aan de zgn. 50%-voorwaarde, die er als volgt uitziet:

Hoogste bedrijfsleidersbezoldiging (natuurlijk persoon) ≥ (belastbaar resultaat van de vennootschap + hoogste bedrijfsleidersbezoldiging (natuurlijk persoon)) x 50%

 

50%-voorwaarde voordelen alle aard

De vraag. Hoe moet het resultaat vr bezoldiging berekend worden indien een deel van de bedrijfsleidersbezoldiging bestaat uit forfaitaire voordelen van alle aard (VAA) waarvoor een forfaitaire waardering bestaat? Die VAA komen immers in aanmerking om te bepalen welk bedrag aan bedrijfsleidersbezoldiging is toegekend. Kan dat worden opgelost door het fiscaal resultaat na de bedrijfsleidersbezoldiging, en waarin dus de fiscaal aftrekbare uitgaven inzake het verschaffen van de VAA zijn opgenomen, te verhogen met de bedrijfsleidersbezoldiging waarin de forfaitair gewaardeerde VAA zijn inbegrepen?

 

Stel dat er een belastbaar resultaat is na bezoldiging van 20.000 en aan slechts n bedrijfsleider een VAA van 10.000 werd toegekend, is de afzonderlijke aanslag dan verschuldigd over de vereiste minimale bezoldiging van 15.000, 50% van 30.000, verminderd met de effectief toegekende bezoldiging van 10.000? Met andere woorden, wordt de afzonderlijke aanslag dan geheven op 5.000 (parl. vr. nr. 27264, Van Biesen, 24.10.2018) ?

 

Wat is het antwoord? Het belastbaar inkomen van de vennootschap, vr aftrek van de bedrijfsleidersbezoldiging bedraagt 20.000, terwijl de bezoldiging bestaande uit forfaitaire VAA slechts 10.000 bedraagt. De bezoldiging is derhalve niet gelijk aan het belastbaar inkomen van de vennootschap. De bijzondere aanslag zal in dat geval inderdaad berekend worden op 5.000, zijnde 30.000 aan 50%, of 15.000 verminderd met de belastbare voordelen van 10.000. Dat is inderdaad 5.000.

 

Kortweg. Om de belastbare winst van de vennootschap vr de aftrek van het loon vast te stellen, moeten gewoon de VAA bij de belastbare winst opgeteld worden.

 

Hoe concreet toepassen? Indien geen enkele bedrijfsleider (natuurlijk persoon) 45.000 aan bezoldigingen (incl. VAA) heeft in het belastbaar tijdperk en aan deze laatste ook VAA toegekend werden, dan moet u nagaan of de vennootschap voldoet aan de zgn. 50%-voorwaarde, die er dan als volgt uitziet:

 

Hoogste bezoldiging, incl. VAA toegekend aan bedrijfsleider-natuurlijk persoon ≥ (belastbaar resultaat van de vennootschap + hoogste bezoldiging, incl. VAA toegekend aan bedrijfsleider-natuurlijk persoon) x 50%

VOORBEELDEN

50%-voorwaarde meerdere bedrijfsleiders

De vennootschap X heeft een belastbare winst van 30.000. Er zijn twee bedrijfsleiders, A heeft een loon van 20.000 en B heeft een loon van 10.000. Er zijn geen forfaitaire VAA. Daar geen enkele bedrijfsleider een loon van minstens 45.000 opgenomen heeft, moet u nagaan of de vennootschap voldoet aan de 50%-voorwaarde.

 

U moet dus de belastbare winst met de hoogst toegekende bedrijfsleidersbezoldiging verhogen. In ons voorbeeld geeft dat 50.000 ( 30.000 + 20.000). De vennootschap voldoet aan de 50%-voorwaarde indien de bezoldiging minstens 25.000 bedraagt, wat in dit geval niet zo is. Het bezoldigingstekort bedraagt immers 5.000 ( 25.000 – 20.000).

 

Tip 1. U kunt bovenstaand bezoldigingstekort nog oplossen door op de komende jaarvergadering een tantieme op te nemen van minstens 5.000.

 

Tip 2. Is de belastbare winst van uw vennootschap lager dan 45.000, dan neemt u het best iets meer loon op dan exact hetzelfde bedrag als die belastbare winst. Kwestie van bij een controle nog te voldoen aan de 50%-voorwaarde als uw controleur de belastbare winst dan wat verhoogt!

 

50%-voorwaarde voordelen alle aard

De vennootschap Y heeft een belastbare winst van 30.000. Er zijn twee bedrijfsleiders, A heeft een loon van 20.000 en B heeft een loon van 10.000. Vennootschap Y stelt ook een gratis woonst ter beschikking van A met een belastbaar VAA van 12.000. Daar geen enkele bedrijfsleider een loon van minstens 45.000 (incl. VAA) opgenomen heeft, moet u nagaan of de vennootschap voldoet aan de 50%-voorwaarde. U moet dus de belastbare winst met de hoogst toegekende bedrijfsleidersbezoldiging (incl. VAA) verhogen. In ons voorbeeld geeft dat 62.000 ( 30.000 + 20.000 + 12.000). De vennootschap voldoet aan de 50%-voorwaarde indien de bezoldiging (incl. VAA) minstens 31.000 bedraagt, wat in dit geval wel zo is, nl. 32.000 ( 20.000 + 12.000). Er is dus geen bezoldigingstekort.

 

Indien geen enkele bedrijfsleider (natuurlijk persoon) een loon van minstens 45.000 (incl. VAA) opgenomen heeft, moet u volgens de minister enkel rekening houden met de hoogst toegekende bedrijfsleidersbezoldiging om de 50%-voorwaarde te berekenen. Indien die bezoldiging (ook) uit forfaitaire VAA bestaat, moet u die toevoegen aan het belastbaar resultaat om de 50% te berekenen!

 

Bron: Fisconet

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail