Vrij aanvullend pensioen voor werknemers in aantocht

Op de ministerraad van 20 juli 2018 is een voorontwerp van wet goedgekeurd dat een vrij aanvullend pensioen voor werknemers moet instellen. Met het vrij aanvullend pensioen voor werknemers (VAPW) wil de wetgever een oplossing bieden voor de werknemers die nog geen toegang hebben tot de tweede pensioenpijler of die het moeten doen met een tweede pijler van een laag niveau. Of de VAPW een groot succes wordt, valt echter nog af te wachten, aangezien de fiscale voordelen relatief bescheiden uitvallen.

Nieuwe stap naar veralgemening aanvullend pensioen

 

De democratisering van de aanvullende pensioenen is een grote bezorgdheid van de sociale partners (dat bleek bv. al uit hun gezamenlijke verklaring daarover van 12 juli 2001). Gezien de vergrijzing en de steeds hogere levensverwachting is het immers duidelijk dat het wettelijk pensioen niet zal volstaan om een gelijke levensstandaard na de pensionering te handhaven. Het is dan ook noodzakelijk de opbouw van een aanvullend pensioen voor zoveel mogelijk werknemers open te stellen. Een eerste stap in de democratisering van de aanvullende pensioenen is gezet met de WAP (wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen). Recent is ook voor zelfstandigen die actief zijn als natuurlijk persoon, een bijkomende pensioenopbouwmogelijkheid ingevoerd (de POZ) (zie Fisc. Act. 2018, 3/1) (wet van 18 februari 2018, BS 30 maart 2018, vanaf aj. 2019).

Met het VAPW (vrij aanvullend pensioen voor werknemers) wordt nu een tweede belangrijke stap gezet. Er wordt een kader gecreerd voor aanvullende pensioenopbouw voor werknemers die bij hun werkgever nog gn aanvullende pensioentoezegging gekregen hebben of die slechts een laag aanvullend pensioen opbouwen. Het VAPW houdt in dat werknemers een aanvullend pensioen kunnen opbouwen van een niveau dat ten minste overeenkomt met 3 % van hun bezoldiging.

VAPW: initiatief ligt bij werknemer

 

De aanvullende pensioenopbouw voor werknemers gebeurt tot nu toe alleen op initiatief van de werkgever (collectieve of individuele pensioentoezegging) of de sector waarin de werknemer is tewerkgesteld (sectorpensioenplan). De enige uitzondering die vandaag bestaat voor een werknemer om een aanvullend pensioen op te bouwen op eigen initiatief, is individuele voortzetting (art. 33 WAP). Die vorm van pensioenopbouw staat open voor een werknemer die bij zijn werkgever geen pensioentoezegging krijgt, maar bij zijn vorige werkgever minstens 42 maanden aangesloten was bij een collectief pensioenplan. De werknemer kan dan aan zijn nieuwe werkgever vragen om een pensioenbijdrage van zijn loon in te houden, met een maximum van 2 400 per jaar (gendexeerd bedrag voor aj. 2019), en te storten in een individueel levensverzekeringscontract dat door de werknemer afgesloten is. Met de nieuwe VAPW-wet zou dat systeem van individuele voortzetting trouwens afgeschaft worden. Alleen contracten inzake individuele voortzetting die zijn afgesloten vr de inwerkingtreding van de nieuwe VAPW-wet, kunnen blijven bestaan.

Het VAPW zal op initiatief van de werknemer gebeuren. In tegenstelling tot de ondernemings- en sectorpensioenplannen, waarbij er sprake is van drie partijen (inrichter, pensioeninstelling en aangeslotene/begunstigde), zijn er bij een VAPW slechts twee partijen (werknemer en pensioeninstelling). De werknemer bepaalt immers zelf de inhoud van de door hem onderschreven pensioenovereenkomst. De werkgever heeft slechts n verplichting, met name de bijdragen van de werknemer inhouden en storten aan de pensioeninstelling die de werknemer aanduidt. De regering heeft dan ook beslist om een apart wettelijk kader te creren voor de VAPW, dat onderscheiden is van dat van de WAP.

VAPW is tweedepijlerpensioen

 

Hoewel een VAPW-contract op individueel initiatief van de werknemer wordt afgesloten, maakt het VAPW officieel deel uit van de tweede pensioenpijler (pensioentoezeggingen door de onderneming of door een sector). Het VAPW behoort formeel dus niet tot de derde pensioenpijler, traditioneel de louter individuele pensioenvorming. Hoewel er veel gelijkenissen zijn met het bestaande wettelijk kader voor de tweede pijler (WAP), is dat natuurlijk voor een groot deel een louter terminologische kwestie.

Volgens de regering houdt die individualisering van de tweede pijler geenszins het risico in dat werkgevers en sectoren geen collectieve pensioentoezeggingen meer zouden inrichten. Tenslotte heeft de bestaande individuele voortzetting (zie hoger) ook niet in de weg gestaan van collectieve pensioentoezeggingen. Daarnaast wijst de regering er op dat het VAPW enkel toegankelijk is voor werknemers die (i) geen gebruik maken van een aanvullend pensioen op ondernemings- of sectorvlak of (ii) die een aanvullend pensioen opbouwen met een bijdrage die lager is dan 3 % van hun loon. In tegenstelling tot de individuele voortzetting is het gn voorwaarde dat de werknemer aangesloten moet zijn bij een aanvullend pensioenplan bij vroegere tewerkstelling.

VAPW-contract

 

De werknemer sluit een VAPW-overeenkomst met een pensioeninstelling die hij zelf kiest. De werkgever kan echter een kaderakkoord sluiten met een pensioeninstelling waarin enkele administratieve afspraken worden vastgelegd met het oog op een efficinte organisatie van de doorstorting van de bijdragen. De werknemers kunnen dan een pensioencontract afsluiten voor het beheer van hun aanvullende pensioenen in het verlengde van dat kaderakkoord, maar zijn daartoe uiteraard niet verplicht.

De werknemer bepaalt vrij het bedrag van zijn bijdragen voor een VAPW, zolang het plafondbedrag niet overschreden wordt (zie hierna). Het bedrag van de premie kan tijdens de looptijd van het VAPW-contract gewijzigd worden. De werknemer kan ook beslissen of zijn VAPW-contract een tak 21- dan wel een tak 23-levensverzekering wordt. De werknemer bepaalt de overlijdensdekking en duidt de begunstigde(n) bij zijn overlijden aan.

Het aldus opgebouwde pensioenkapitaal wordt pas uitgekeerd op het moment dat het wettelijke pensioen van de werknemer ingaat of, als hij eerder overlijdt, bij zijn overlijden.

De mogelijkheid bestaat om voorschotten op te nemen of het contract in pand te geven met het oog op het verwerven, bouwen, verbeteren, herstellen of verbouwen van een onroerend goed dat gelegen is in de EER. Als dat de enige woning is, wordt het VAPW-pensioenkapitaal ten belope van een eerste schijf van 79 970 (gendexeerd bedrag voor aj. 2019) niet afzonderlijk belast tegen 10 %, maar is het stelsel van de fictieve rente van toepassing (gewijzigd art. 169 lid 2 WIB 92, in voorontwerp). Dat is niet nieuw en bestaat ook voor de andere pensioenvehikels uit de tweede pensioenpijler (collectieve of individuele pensioentoezegging door onderneming of sector, IPT bedrijfsleiders, VAPZ en POZ).

De werknemer kan te allen tijde zijn VAPW-overeenkomst stopzetten en een nieuwe VAPW-overeenkomst sluiten bij een andere pensioeninstelling.

De werknemer heeft ook het recht om de verworven reserves over te dragen naar een andere pensioeninstelling.

Inhouding door werkgever

 

De bijdragen voor een VAPW-contract worden door de werkgever ingehouden op het salaris van de werknemer. De werkgever stort de ingehouden VAPW-bijdragen aan de pensioeninstelling.

Als de arbeidsovereenkomst beindigd wordt, zet de werkgever de inhoudingen automatisch stop.

Behalve een inhoudings- en doorstortingsplicht heeft de werkgever geen andere verplichtingen m.b.t. een VAPW-contract. De rendementsgarantie, zoals die bestaat in het WAP-stelsel, geldt dus niet voor de bijdragen die gestort worden in een VAPW-contract.

De werknemer moet zijn werkgever, minstens 2 maanden op voorhand, informeren over (i) het in te houden bedrag en de periodiciteit van de inhouding, (ii) de naam, het adres en de bankgegevens van de pensioeninstelling, (iii) alle overige gegevens die van belang zijn om te kunnen inhouden. De werknemer moet ook een kopie van de VAPW-overeenkomst overhandigen aan zijn werkgever. Die termijn van 2 maanden geeft de werkgever voldoende tijd om de inhouding op administratief vlak te organiseren. Eventuele aanpassingen of een stopzetting van het VAPW-contract moeten ook minstens 2 maanden vr ze effectief worden, aan de werkgever worden gemeld.

Plafond van de VAPW-bijdragen

 

Het plafond van de VAPW-bijdragen is 3 % van het referentieloon. Dat plafond bedraagt minimaal 980 per jaar (niet-gendexeerd bedrag; voor aj. 2019 zou het gendexeerde bedrag uitkomen op 1 600), maar het wordt verlaagd in functie van eventuele (andere) pensioenrechten die tijdens de referentieperiode al zijn opgebouwd in de tweede pensioenpijler als werknemer (zie hierna).

Het referentieloon is het totale brutosalaris dat is onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen, en dat de werknemer verdiend heeft in de loop van het tweede jaar dat voorafgaat (n-2) aan het jaar van opbouw (n) en dat vermeld staat op de individuele rekening die de werknemer van zijn werkgever(s) ontvangt. Dat betekent dus dat als een werknemer in 2019 VAPW-bijdragen wil storten, de maximale bijdrage wordt berekend op zijn brutojaarsalaris van 2017.

Als het bruto jaarsalaris van 2017 gelijk is aan 60 000, dan is de maximale bijdrage gelijk aan 1 800 (3 % van 60 000).

Als het bruto jaarsalaris van 2017 gelijk is aan 45 000, kan de werknemer maximaal 1 600 bijdragen betalen. (3 % van 45 000 = 1 350, maar verhoogd tot het minimumplafond).

Als de werknemer gn andere tweedepijlerpensioenen opgebouwd heeft, kan hij de maximale bijdrage in het VAPW-contract storten.

Rendementsgezuiverde WAP-reserve-aangroei

 

Zoals gezegd, staat het VAPW-pensioen ook open voor werknemers die bij hun werkgever wel al een aanvullend pensioen opbouwen maar dan van een relatief laag niveau. In die situatie moet het maximale VAPW-premiebudget worden verminderd met de rendementsgezuiverde WAP-reserve-aangroei tijdens het referentiejaar. Dat is het (positieve) verschil tussen i) het totaal van de WAP-reserves op 1 januari van het jaar vr het jaar van de opbouw en ii) het totaal van de WAP-reserves op 1 januari van het tweede jaar vr het jaar van opbouw, gekapitaliseerd tegen de gemiddelde interestvoet (van OLO’s op 10 jaar) over de laatste zes kalenderjaren vr het jaar van opbouw.

De werknemer kan de informatie over de verandering van de WAP-reserves terugvinden via Mypension.be.

Voorbeeld Een werknemer sluit in 2019 een VAPW-contract. Zijn bruto-jaarbezoldiging bedraagt 60 000. Hij bouwt bij zijn werkgever een relatief laag aanvullend pensioen op. De verworven reserves op 1 januari 2017 bedroegen 20 000. Die waren op 1 januari 2018 aangegroeid tot 21 500. Uitgaande van een gemiddelde 10-jaars-OLO-interestvoet over de voorbije 6 jaar van 1 %, moet de maximale VAPW-bijdrage als volgt worden berekend:Rendementsgezuiverde WAP-reserve-aangroei: 21 500 (20 000 1,01) = 1 300.Maximale VAPW-bijdrage: (3 % 60 000) 1 300 = 500.

Fiscaliteit van de VAPW-pensioenopbouw

 

De fiscale behandeling van de VAPW is sterk genspireerd op het fiscaal regime van de individuele voortzetting van een pensioentoezegging zoals bedoeld in artikel 33 WAP. Net zoals de individuele voortzetting gebeurt de pensioenopbouw bij VAPW op het individuele initiatief van de werknemer. In die zin wijkt de fiscale behandeling van de opbouw van een VAPW-pensioen (net zoals bij de individuele voortzetting) af van de bestaande fiscale bepalingen met betrekking tot de tweede pijler. Het fiscale stelsel van de VAPW-pensioenen ziet er als volgt uit.

Op het vlak van de premietaksen is de knoop blijkbaar nog niet doorgehakt: onderwerping van de bijdragen voor de VAPW aan de premietaks van 4,4 %, net als bij de individuele voortzetting (aanpassing art. 1751 2 6 WDRT), of vrijstelling van premietaks (aanpassing art. 1762 WDRT). Voorlopig bestaan er twee versies van het betreffende artikel in het voorontwerp (art. 49). De memorie van toelichting spreekt van vrijstelling van de premietaks, als incentive voor werknemers die geen of een bescheiden aanvullende pensioentoezegging genieten, om zelf een aanvullend pensioen op te bouwen. Wellicht zal de regering de knoop doorhakken na het advies van de Raad van State.

De werknemer heeft recht op een belastingvermindering van 30 % (+ gemeentelijke opcentiemen) voor de VAPW-bijdragen, voor zover die niet mr bedragen dan het genoemde maximum (art. 1451 1 en 1453 WIB 92). In de memorie van toelichting bij het voorontwerp van wet wordt gemeld dat ook de 80 %-grens moet zijn gerespecteerd. Het is afwachten hoe dat zal worden gemplementeerd.

Fiscaliteit van het VAPW-pensioenkapitaal

 

Het VAPW-kapitaal is onderworpen aan 3,55 % RIZIV-bijdragen en aan de solidariteitsbijdrage (0 tot 2 %). Het pensioenkapitaal is, na aftrek van die sociale bijdragen, afzonderlijk belastbaar aan 10 % + gemeentelijke opcentiemen (tenzij samenvoeging met de andere inkomsten voordeliger is) als de uitkering ten vroegste plaatsvindt bij de pensionering, het overlijden of vanaf de leeftijd van 60 jaar. Dat laatste uitkeringsmoment is overigens vrij theoretisch, want een aanvullend pensioen, dus ook het VAPW, kan ten vroegste uitgekeerd worden wanneer de werknemer effectief met pensioen gaat of aan de voorwaarden voldoet om zijn wettelijk (vervroegd) pensioen op te nemen.

Pensioensparen en LT-sparen fiscaal gunstiger

 

De vraag is wel of een werknemer er belang bij heeft om in te stappen in het nieuwe stelsel. Want fiscaal gezien is het voor een werknemer die geen aanvullende pensioentoezegging van zijn werkgever aangeboden krijgt of een van een relatief laag niveau, interessanter om binnen de derde pensioenpijler aan aanvullende pensioenopbouw te doen. Zowel bij pensioensparen (maximaal 960 per jaar) als bij het langetermijnsparen (maximaal 2 310 per jaar) heeft hij dan recht op eenzelfde belastingvermindering (30 %) als bij VAPW (vanaf 2018 kan men meer dan 960 storten in het pensioensparen, het zgn. duaal pensioensparen, maar dan bedraagt de belastingvermindering slechts 25 % zie Fisc. Act. 2018, 25/11).

Bij pensioensparen is er echter gn premietaks verschuldigd. Er zijn ook gn RIZIV- en solidariteitsbijdragen verschuldigd op de pensioenuitkering. Ook het belastingregime van de uitkering bij pensioensparen is gunstiger, met name een anticipatieve heffing van 8 % (en gn gemeentelijke opcentiemen) op 60 jaar en geen belasting meer van de kapitalen die zijn gevormd met pensioenspaarbijdragen die worden gestort na 60 jaar.

Ook het langetermijnsparen is fiscaal gunstiger. De premietaks bedraagt slechts 2 %. Over de uitkeringen zijn gn RIZIV- en solidariteitsbijdragen verschuldigd. Er wordt een anticipatieve heffing van 10 % (gn gemeentelijke opcentiemen) toegepast op 60 jaar. De pensioenkapitalen die gevormd zijn door de stortingen na 60 jaar, worden niet belast.

Het fiscale regime is dus niet het grote aantrekkingspunt van het nieuwe stelsel: de derdepijlerpensioenen zijn op dat vlak interessanter dan het VAPW. VAPW blijft wel een bijkomende mogelijkheid voor wie absoluut mr pensioen wil opbouwen dan wat mogelijk is in de derde pijler. De regering ziet de VAPW ook als een stimulans voor de werkgever om de collectieve pensioentoezeggingen uit te breiden. In de memorie van toelichting bij het voorontwerp van wet lezen we immers: Dit sluit uiteraard niet uit dat de werkgever eventueel later beslist een pensioenstelsel in te voeren in het kader waarvan hij bijdragen ten laste zou nemen. In dat geval zal het gaan om een pensioentoezegging die onder de WAP valt en zal het VAPW-contract desgevallend moeten worden stopgezet.

Geplande inwerkingtreding

 

Volgens het voorontwerp treedt de VAPW in werking drie maanden na de publicatie van de wet in het Staatsblad. Het nieuwe fiscaal regime zal van toepassing zijn vanaf aanslagjaar 2020. De bepalingen inzake de premietaks zullen echter van toepassing zijn vanaf drie maanden na de publicatie van de wet.

 

Het voorontwerp ligt nu voor advies bij de Raad van State. Het is de verwachting dat het wetsontwerp in de loop van oktober aan het parlement wordt overgemaakt.

 

Bron: Monkey , Chantal Hendrickx

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail